

|
|
|
GESCHIEDENIS VAN DE MANDOLINE

V.l.n.r.
een Milanese barokmandoline (meest gebruikt bij barokuitvoeringen)
van Alex Vervaet, een Napolitaanse barokmandoline van Kristof
Braekman en twee hedendaagse Napolitaanse mandolines, de voorste
is van Luigi Embergher |
| |
Voorgeschiedenis
De voorgeschiedenis van de mandoline loopt samen met die van de tokkelinstrumenten en van de luit. Wanneer het instrument met een soort plectrum werd aangeslagen en vooral wanneer het bovendien uit een aantal dubbelsnaren bestond, mag het aanzien worden als een voorloper van de mandoline. Zo vinden we op Egyptisch basreliëf en fresco's een langwerpig tokkelinstrument met een langwerpig plectrum (zie illustraties onderaan). Instrumenten als de perzische setar en de Turkse saz worden echter met de vingers bespeeld. De Griekse pandoura of tamboura kon allerlei vormen en aantallen snaren hebben. Het woord bouzouki komt echter van het Turkse "Saz-bozouk", een gevolg van de Turkse overheersing, maar niettemin gaat het om een Grieks instrument. (Zie Bouzouki History)
Vanaf de 10de eeuw was een duidelijke voorloper terug te vinden in gans Europa: de quitaire, quinterne, guisterne in Frankrijk, gyterne in het Engels, quinterne in het Duits, guittarra in het Spaans, chitarra of chitarino in het Italiaans. Pas in de loop van de 16de eeuw werden deze benamingen gebruikt voor de vroege gitaarfamilie (zie The early Mandolin, James Tyler & Paul Sparks). Het instrument had ofwel drie of meer enkel snaren, of vier dubbelkoren. Er zijn geen partituren voor gevonden en ook de stemming is niet echt bekend. Christopher Page leidt uit een manuscript af dat de stemming A, d, g, c' was, en dat is dezelfde als van de latere klassieke Italiaanse mandolino. De gittern en de luit werden beide met een plectrum gespeeld. In de 16de eeuw krijgt het instument een wildgroei van benamingen. Voor het eerst wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen een mandolineachtig instrument en de andere instrumenten van de luitfamilie, zoals bijvoorbeeld in de Musica Instrumentalis Deutch uit 1529, waarvan deze illustratie:

De eerste Franse muziek specifiek geschreven voor dit instrument is de Tablature de Mandorre van Pierre Brunet uit 1578 (nu verloren). Praetorius beschrijft het instrument en noemt het mandörgen. Tegen het einde van de zestiende eeuw verschijnt de naam mandola in de Italiaanse documenten. |
| |
1.
De barokmandoline.

Er
bestaan verschillende types van mandoline. Het gebruikte type in
de muziekacademies en in de mandoline-orkesten is ook de meest verspreide,
namelijk de Napolitaanse mandoline.
De
mandoline is een sopraaninstrument dat tot de luitfamilie behoort.
In de tweede helft van de 17e eeuw bestonden er twee soorten mandolines.
Een
eerste type had de vorm (en de onderdelen) van een kleine renaissanceluit.
Het had de volgende kenmerken:
- een vlakke, eivormige klankkast
- een klankgat met rozet;
- lateraal (zijwaarts) geplaatste stemschroeven
- een rugwaarts gewelfd bovenblad;
- vier, vijf of zes koren darmsnaren. De discantsnaren
werden g"
- d" - a' gestemd; de bassnaren e' - h - g.
In
de 17e eeuw werd deze barokmandoline mandurina,
mandola, mandolino,
mandürchen of bandürchen genoemd. In die tijd gebruikte
men als plectrum een vederschacht of een houten plectrum uit kersenboomschors.
Uit dit type ontwikkelde een mandoline die in de 19de eeuw de naam
Milanese of Lombardische mandoline kreeg. Zij was zwaarder gebouwd,
had messingfretten en 6 enkele snaren.
De
jongste jaren komt de barokmandoline terug in de belangstelling.
Vooral in Duitsland grijpen een aantal mandolinisten terug naar
dit instrument wanneer zij oudere stukken zo oorspronkelijk mogelijk
willen brengen.
De
bekende componist Antonio Vivaldi (1678-1740) schreef vier composities
voor de barokmandoline:
- concert in C-Dur, RV 425, voor mandoline en strijkers
- concert in G-Dur, RV 532, voor twee mandolines en strijkers
- concert in C-Dur "Con molti Instrumente", RV 558, met
onder meer twee mandolines en twee theorbes
- een mandolinepartij in het oratorium "Juditha Triumphans",
RV 644
Een
tweede type was de voorloper van de Napolitaanse mandoline. Dit
type had de volgende kenmerken:
- diepgewelfde half peervormige klankkast met smalle ribben;
- klankgat zonder rozet
- licht geknikt bovenblad
- licht geknikte kop met sagitaal geplaatste stemsleutels
- boven op geplaatste kam
- snaren die aan de achterkant vastgemaakt zijn
- snaren uit messing of darm
Voor
zover we weten bestonden in de 17e eeuw twee soorten mandolines
van dit type:
- de Florentijnse mandoline met vijf dubbele snaren, met als stemming
a" - e" - c' - g' - d'
- de Genuese mandoline met zes dubbele snaren met als stemming e"
- h' - g' - d' - a - e.
In
de oudste teruggevonden mandolinemethode van Francesco Conti (1682-1732),
die uitgegeven werd in het begin van de 18e eeuw, staat een nauwkeurige
beschrijving van de Genuese mandoline
|
| |
2.
De Napolitaanse mandoline.
Het
juiste tijdstip waarop de Napolitaanse mandoline is ontstaan, is
tot hiertoe nog niet vastgesteld. De schattingen van de musicologen
lopen uiteen van 1650 tot 1750. De Napolitaanse mandoline is het
type dat op dit ogenblik het meest verspreid is. Deze mandoline
heeft vier dubbele snaren met als stemming e" - a' - d' - g.
De composities waarvan geweten is dat ze speciaal geschreven zijn
voor Napolitaanse mandoline dateren van 1750.
Het
instrument had de hierboven vernoemde bouwkenmerken met messingfretten.
Uit een beschrijving van 1760 blijkt dat men in die tijd voor elk
van de snaren een verschillend materiaal gebruikte:
- de g-snaar bestond uit darm en was met zilver of zijde omsponnen;
- de d'- en de a'-snaar waren van messing;
- de e"-snaar was een darmsnaar.
Als
plectrum gebruikte men een vederschacht of een plectrum gemaakt
van kersenboomschors.
In
de tweede helft van de 18e eeuw kende de mandoline zijn klassieke
bloeitijd. Vanuit Napels brak de mandoline door tot in Parijs. Er
verschenen in die periode een aantal studiemethodes waarvan er vijf
nu nog bekend zijn:
- Giovanni Fouchetti: 1760 in Lyon, 1770 in Parijs;
- Giovanni Battiste Gervasio: 1767 in Parijs;
- Pietro Denis: 1768 en 1782 in Parijs;
- Michel Corrette: 1772 in Lyon;
- Gabriele Leone: 1768, 1770 en 1773 in Parijs, 1785 in Londen.
Deze
studiemethodes geven gedetailleerde aanwijzingen hoe de mandoline
in de 18e eeuw werd bespeeld. De hoofdtechnieken waren:
- de eentoonaanslag (de neerwaartse aanslag over twee snaren en
de opwaartse aanslag met één snaar);
- gebroken drieklanken (arpèges) op verschillende kunstvolle
manieren uitgevoerd;
- de tremolo kwam alleen als versiering voor: een uitgeschreven
triller.
Onder
deze studiemethodes springt die van Gabriele Leone er uit: zij geldt
als de grootste school van het mandolinespel. De aanwijzingen die
daarin besproken worden laten de huidige mandolinisten toe om zich
authentieke informatie over de historische instrumentbehandeling
en speeltechniek te verschaffen, zoals de violisten en fluitisten
beschikken over de studiemethodes van Leopold Mozart en Joachim
Quantz.
De
mandoline was in de 18e eeuw een geliefd kamermuziekinstrument.
Talrijke gevonden werken in verscheidene bezettingen zijn daarvan
het bewijs. Zo zijn er bijvoorbeeld in de Weense Kulturkreis een
aantal composities voor mandoline en strijkorkest ontstaan, wat
bewijst dat de mandoline haar plaats had in het officiële muziekleven.
Naast
vele kleine meesters schreven ook bekende componisten zoals Johann
Adolf Hasse (1699-1783), Carl Stamitz (1745-1801), Wolfgang Amadeus
Mozart (1756-1791), Ludwig van Beethoven (1770-1827) en Johann Nepomuk
Hummel (1778-1837) mandolinemuziek.
In
talrijke opera's en oratoria's van de 18e eeuw is er een mandolinepartij
te vinden, bijvoorbeeld bij Caldara, Conti, Händel, Hasse,
Galuppi, Jomelli, Gretry, Salieri en ook bij W. A. Mozart. Deze
traditie werd tot op heden verder gezet. We vinden immers ook mandolinestukken
terug in de opera's van Verdi, Schrecker, Pfitzner, Schönberg,
Stravinsky, Hindemith, Fortner, B. A. Zimmermann, Ligeti, Henze,
en anderen.
Tegen
het einde van de 18e eeuw ging de ontwikkeling bij de gitaar en
tijdelijk ook bij de mandoline van de korige naar de enkelbesnaring.
Bartolomeo Bortolazzi (ca. 1770-1840) geeft in zijn mandolinemethode
- die in 1805 verscheen - een beschrijving van de Cremonische mandoline,
die de vorm en de bouwstijl van de Napolitaanse mandoline heeft,
maar die bespannen is met vier darmsnaren en die bespeeld wordt
met een plectrum van kersenboomschors.
In
de 19de eeuw verdween de mandoline uit het muziekleven door de veranderde
muziekstijl. Zij leefde verder in de Italiaanse volksmuziek. De
speeltechnieken van de klassieke mandolinemeesters geraakten in
de vergetelheid. De tremolo werd de hoofdspeeltechniek: men probeerde
met die tremolo zo goed als mogelijk de gestreken toon van de viool
te imiteren. |
| |
3.
Eerste herleving van de mandoline in Italië.
Rond
1870 kwam er echter een herleving van de mandolinespeelkunst in
Italië. Musici als Carmine de Laurentiis, Raffaele Calace,
Carlo Munier en Silvio Ranieri maakten van de mandoline een virtuoos
instrument en schreven studiemethodes voor de "romantische
mandoline".
In
die tijd werden er veranderingen aangebracht aan de bouw van de
mandoline. Raffaele Calace (mandolinevirtuoos, componist, leraar
en instrumentenbouwer) uit Napels en Luigi Embergher uit Rome ontwikkelden
de concertmandoline. De stemschroeven, die vroeger uit hout waren
vervaardigd, werden vervangen door een schroefmechaniek die ofwel
in een gesloten kop ofwel in een doorgestoken kop bevestigd was.
Vanaf
1835 werden voor de mandoline staalsnaren gebruikt. Die waren ontwikkeld
door Pasquale Vinaccia, afkomstig van een beroemde familie van instrumentenbouwers.
Sinds
ca. 1940 wordt het instrument bespannen met omwonden staaldraad
bij de g, d'- en a'-snaar, bij de e'-snaar gebruikt men chroomstaalsnaren.
De
mensuur bleef ongewijzigd op 33 cm; de klankkast werd groter en
de toets werd langer: hij omvatte 24 fretten i.p.v. 12 of 14.
In
de 19e eeuw ontstonden de eerste mandolinekwartetten.
Zij hadden
de volgende bezetting:
- eerste mandoline;
- tweede mandoline;
- altmandoline (met als stemming c - g - d' - a') of mandola (een
nieuwe
ontwikkeling: een grote mandoline die een octaaf lager werd
gestemd als de mandoline);
- liuto (een basinstrument uit de mandolinefamilie
met als stemming
C - G -d - a - e') of gitaar.
Uit
deze bezetting ontwikkelden zich de huidige mandoline-orkesten in
Italië, Duitsland, België, Nederland, Frankrijk en Oostenrijk.
De orkesten speelden aanvankelijk populaire, licht klassieke en
romantische werken die origineel voor strijkorkest waren. Hierdoor
verloor de mandolinemuziek de aansluiting met de muzikale ontwikkeling
van de 20ste eeuw.
Illustratie
rechts: 3 Embergers, vlnr mandolo, mandoline, altmandoline |
| |
4.
De revival van de mandoline vanuit Duitsland.
In
Duitsland kende het mandoline-onderricht een enorme doorbraak, wat
zijn invloed had op de buurlanden.
In
1913 schreef de Duitser Theodor Ritter een vijfdelige mandolinemethode
die hoofdzakelijk gebaseerd was op de stijlinvloeden van de 19e
eeuw; de voornaamste techniek die hij gebruikte was de tremolo.
Later
verdiepte Konrad Wölki zich in de geschiedenis van de mandoline.
Hij gebruikte zowel de romantische tremolo als de klassieke aanslagtechnieken.
De mandolinemethode Deutsche Schule für Mandoline (1939) was
hiervan het resultaat.
Na
een onderbreking door de Tweede Wereldoorlog kwam er een nieuwe
oriëntering. Een intensieve scholing van de lekenmuzikanten
zette zich in. De B.D.Z., de bond van Duitse tokkelmuzikanten (mandolinisten
en gitaristen) ontstond. De belangrijkste medewerkers waren Konrad
Wölki, Adolf Möszner, Siegfried Behrend en de Japanse
mandolinist Takashi Ochi. Componisten werden ertoe aangezet om ook
voor mandoline te schrijven.
In
1971 werd de mandoline ook toegelaten tot de wedstrijd "Jugend
musiziert"; dit betekende een stimulans, vooral voor de Duitse
jeugd, om mandoline te spelen. Een degelijke opleiding van leraars
mandoline werd noodzakelijk. De mandolinecursus kwam er eerst in
enkele muziekacademies en later ook in de "Staatlichen Hochschule
für Musik Rheinland, Institut Wuppertal" (wat bij ons
overeenkomt met een muziekconservatorium) met als docente Marga
Wilden-Hüsgen.
Nieuwe muziek werd geschreven, oude originele muziek werd toegankelijk gemaakt. Men streefde ernaar om de muziek uit de verschillende periodes met de juiste interpretatietechniek te spelen, naast een bewust gemaakte toonvorming. Ook op gebied van bouw van de mandoline werd in Duitsland gezocht om de klank zolang mogelijk te laten resoneren. Dit is belangrijk in zowel oude muziek (geen tremolo) als de hedendaagse muziek waar weinig tremolo wordt gebruikt en meer de gestoken techniek. Hierdoor kwam men tot een aangepaste vorm met een breder bovenblad. Velen noemen dit de Duitse mandoline. Reinholt Seiffert was de ontwerper van deze mandoline. Klaus Knorr uit Erlbach (D) is zijn opvolger en ook andere zoals Albert-Müller (D) bouwen dit type van mandoline.
In
België kwam de ontwikkeling van het mandoline-onderricht later
op gang.
In
het begin van deze eeuw stonden wij er goed voor. De Italiaanse
mandoline-virtuoos Silvio Ranieri (1882-1956) leefde in Brussel.
Hij schreef een belangrijke vierdelige mandolinemethode, waarvan
nu enkel de twee eerste delen nog te koop zijn. Zijn belangrijkste
leerling, Florimond Costers, leidde Frans De Groodt (1892-1988)
op, die op zijn beurt wereldwijd als mandolinevirtuoos geprezen
werd. Het Antwerpse mandoline-orkest Koninklijke Estudiantina La
Napolitaine, waarvan Frans De Groodt concertmeester was, behaalde
prijzen in gans Europa.
Frans
De Groodt werd dé pionier van het mandoline-onderricht in
Vlaanderen, eerst in de vrije muziekschool "Jozef Van Poppel"
te Deurne (vanaf 1942), later te Borgerhout (vanaf 1946). Deze cursussen
werden echter opgeheven rond 1960. Enkele leerlingen van Frans De
Groodt zetten
zijn werk verder.
In Merksem was het Lucie Van Velthoven die in 1952 tot mandolinelerares werd aangesteld voor een gemeentelijk cursus aan de muziekacademie. Deze gemeentelijke cursus werd na de fusie met Antwerpen de eerste officieel erkende en gesubsidieerde mandolinecursus in Vlaanderen. Vanaf september 1981 werd Marianne Verpoest mandolinelerares in de bijafdeling te Brecht en in september 1988 volgde zij Lucie Van Velthoven op in Merksem.
In Brasschaat evolueerde de leergang mandoline mee met het wel en wee van de aanvankelijk vrije en later gemeentelijke muziekacademie . Frans De Groodt was er even mandolineleraar tijdens de oorlogsjaren '40-'45; Robert Janssens, stichter van het "Brasschaats Mandoline-Orkest", gaf er les in de jaren '50 en één van zijn leerlingen, Karel Janssens, was er leraar van 1969 tot 1990, vanaf 1981 samen met Krista Sass. In 1990 werd Karel Janssens opgevolgd door Gerda Abts.
Om na de oppensioenstelling van mevrouw Van Velthoven in Merksem een opvolging te kunnen blijven garanderen werd, dankzij de inspraak van de heren A. De Meulder, toenmalig directeur van de muziekacademie van Merksem, V. Van Puyenbroek, toenmalig hoofdleraar gitaar aan het muziekconservatorium van Antwerpen, en C. Cooremans, toen directeur van het muziekconservatorium van Antwerpen, de cursus mandoline sedert september 1989 in het conservatorium erkend. Mevrouw Marga Wilden-Husgen werd aangetrokken om de eerste "Eerste Prijzen" voor mandoline in België voor te bereiden. Twee leerlingen van Mevr. Van Velthoven, Marianne Verpoest en Gerda Abts, schreven hiervoor in. Zij legden het examen af op zowel de milanese barokmandoline als de napolitaanse mandoline en werden de eerste officieel gediplomeerde mandolinisten in ons land (juni 1991). Later schreven ook de altviolist Patrick Van Netelbosch (1990) en Krista Sass (1991), leerlinge van de heer Karel Janssens, zich in.
Intussen werd door het nieuwe systeem in het kunstonderwijs de mogelijkheid gegeven om in gelijk welke muziekacademie een mandolinecursus in te richten. Naast de reeds bestaande mandolineklassen van Merksem (lerares M. Verpoest) en van Brasschaat (leraressen K. Sass en G. Abts) werden ook in de muziekacademies van Lier en Wijnegem de cursus mandoline gestart. Gerda Abts bouwde zowel in de academies van Lier en bijafdelingen te Nijlen, Ranst als in Wijnegem en bijafdeling Schilde de mandolineklas uit. Ook worden er mandolinecursussen gegeven aan de vrije gemeentelijke muziekscholen van Aarschot en Linden-Lubbeek en aan enkele jeugdmuziekscholen in de provincies Antwerpen, Limburg en West-Vlaanderen.
In de jaren '80 werden zowel in Wallonië als in Vlaanderen initiatieven genomen om de mandoline meer bekendheid te geven. Robert Janssens publiceerde zijn "Geschiedenis van de mandoline" (Antwerpen - Metropolis). In Malmedy werd er vanaf 1982 een tweejaarlijks "Festival de la Mandoline" georganiseerd. Het Brasschaats Mandoline-Orkest bracht 1 LP en zijn eerste CD’s uit. In september 1988 werd de "Vlaamse Mandolinefederatie" opgericht om de contacten tussen de verschillende mandoline-orkesten in Vlaanderen te stimuleren en om de mandoline en de mandolinemuziek te propageren. G.Abts richtte het Antwerps mandolineorkest op en ook Boechout kreeg zijn eigen orkest.
In 2009 ziet het mandolinelandschap er echter totaal anders uit. Het Antwerps en het Boechouts mandolineorkest bestaan inmiddels niet meer, het Brasschaats echter wel (o. l.v. Marcel De Cauwer), zij treden regelmatig op en hebben intussen verschillende cd's uitgebracht. Ook het kleinere orkest La Napolitaine bestaat nog steeds. M. Verpoest en K. Sass geven sinds de zomer van 2010 niet langer les in mandoline. Hun leerlingen werden overgenomen door G. Abts, die nu mandolineles geeft in Lier, Schilde, Broechem, Wijnegem, Merksem, Sint-Job in 't Goor, Brasschaat, en aan het Antwerps conservatorium. Mart De Leeuw is de eerste leerlinge mandoline aan het conservatorium in 17 jaar. Er is dus nog hoop op een toekomst voor dit prachtige instrument in België.
Dit historisch overzicht werd opgesteld door Gerda Abts, met hulp van een tekst van Marga Wilden-Husgen, professor mandoline aan de Staatlichen Hochschule für Musik Rheinland, Institut Wuppertal.
Illustratie
rechts: hedendaagse concertmandoline en mandola
© Copyright Gerda Abts 1993 |
| |
Archief
Voorlopers van de mandoline. Voorbeelden uit het oude Egypte: tokkelinstrumenten, die in tegenstelling tot de Perzische setar of de Turkse saz met een plectrum werden gespeeld, op de illustraties een langwerpig plectrum, aan het uiteinde vastgehouden met duim en wijsvinger.

Christodoulos Halaris gaf een aantal cd's uit met oude Byzantijnse geschreven muziek, teruggevonden in de archieven van de kloosters van Mont Athos. De oude instrumenten werden zo goed mogelijk gereconstrueerd, waarondere een met plectrum gespeeld tokkelinstrument, hier duidelijk met de kenmerken van de quinthera: 4 dubbelkoren en een lange vederschacht als plectrum.
In de middeleeuwen waren er twee types met quinthera of quiterne: een met drie (soms meer) enkele snaren en een met vier dubbele, beide met plectrum bespeeld.

Voorbeeld van een oud Italiaans mandolinekwartet:
Tussen 1890 en het begin van de twintigste eeuw kende de mandoline een enorme populariteit in de Verenigde Staten, daar ingevoerd door de Italiaanse emigranten. De mandoline speelde er solo, in duo's, tot diverse mandolineorchesten, versterkt met gitaren, harpgitaren, basharpgitaren, liergitaren, harpen of cello's. Zij floreerden vooral in de amuzementsmuziek en brachten, walzen, liederenbegeleiding, licht klassiek, marsen, ragtime en cakewalks. In Boston, Washington, Philadelphia, New York en Kansas City had elk college zijn eigen mandolineclub. Er waren ook professionele spelers. Zo emigreerde de Italiaan Guiseppe Pettine naar Amerika, gaf overal concerten en bracht een zesdelige mandolinemethode uit in 1896. Valentine Abt toonde er de mogelijkheden van de mandoline als solo-instrument en richtte er in 1908 het eerste Amerikaanse klassieke plectrumkwartet op, met twee mandolines, mandola en mandocello. Momenteel is er een nieuwe rage die het instrument daar razend populair maakt: de bluegrass. (Uit "History of the Mandolin in America" op mandolincafe.com) Hieronder drie illustraties van de site harpguitars

Steinway mandolineorkest

Uit een ongedateerde (ca.1900) Rudolph Wurlitzer Co. brochure over Brandt mandolines.

The Knutsen family met twee harpgitaren van Chris J. Knutsen, wiens werkelijke naam Johan Christian Kammen was (foto 1897)

Voorbeeld van een hedendaagse bluegrassband (New England), met de platte folkmandoline.
De electrische mandoline is momenteel heel populair in Amerika. Je kan er alles op spelen wat je op een elektrisch gitaar kan, plus tremelo's. Hieronder enige voorbeelden. De dubbelarmige zijn mandoline-mandolocombinaties.

|
| |
|